Het register voor zakelijke betalingsachterstanden
Het register voor zakelijke betalingsachterstanden
085 - 484 5700

Verzend en ontvangsttheorie


Het CRZB en de verzend- en ontvangsttheorie

Voordat een betalingsachterstand door een crediteur in de Achterstandendatabank van het CRZB geregistreerd kan worden, moet de debiteur over de aanmelding, de mogelijke registratie en de verdere mogelijke gevolgen worden geïnformeerd.

Dit vloeit voort uit de verplichting van het CRZB de belangen van de debiteur voldoende in het oog te houden en zich te onthouden van onrechtmatige daden. Dit betekent dat het CRZB niet in strijd met een recht van de debiteur, de wet of wat in het maatschappelijk verkeer betaamt mag handelen. Wanneer zij de debiteur niet behoorlijk informeert over de aanmelding bij het CRZB kan zij aansprakelijk worden voor de gevolgen van de registratie. Dit omdat de belangen van de debiteur dan niet voldoende in het oog zijn gehouden.

De vraag die in dit artikel aan de orde komt is wat het CRZB moet doen om er zeker van te zijn dat de informatie over de aanmelding van de betalingsachterstand de debiteur heeft bereikt. Dit is van belang wanneer de debiteur zich op het standpunt stelt niet behoorlijk te zijn geïnformeerd over de ophanden registratie in het CRZB en stelt dat het CRZB hierdoor onrechtmatig heeft gehandeld en dat hij, debiteur, hierdoor schade heeft geleden, die door het CRZB moet worden vergoed.

Hoe moet in zo'n geval bewezen worden dat de debiteur behoorlijk is geïnformeerd?


De theorie, de wet en de Hoge Raad

Theoretisch zijn er voor de wetgever twee oplossingen om regels te stellen voor het bewijs dat een bericht ontvangen is: de verzendtheorie en de ontvangsttheorie. Bij de verzendtheorie is het voldoende dat bewezen kan worden dat een verklaring is verzonden. Bij de ontvangsttheorie moet bewezen worden dat de verklaring ook daadwerkelijk door de geadresseerde is ontvangen.

In het burgerlijk wetboek is in artikel 3:37 lid 3 BW uitgegaan van in beginsel de ontvangsttheorie. Dit betekent dat in artikel 3:37 lid 3 BW hoofdzakelijk wordt bepaald dat een verklaring om zijn werking te hebben de ontvanger moet hebben bereikt. Maar de ontvangsttheorie is in dat zelfde wetsartikel en later door de rechtspraak genuanceerd.

In dit verband is interessant om op te merken dat als een verklaring de ontvanger heeft bereikt de wet er vanuit gaat dat de verklaring ook zijn werking heeft: er wordt dus uitgegaan van de juridische fictie dat dan ook van de verklaring is kennisgenomen en dat deze tenminste in enige mate is begrepen.


Nuancering door de wet

De nuancering in het wetsartikel zelf komt er op neer dat als een verklaring niet werd ontvangen door oorzaken, die voor rekening behoren te komen van de ontvanger, de verklaring toch zijn werking heeft. Een belangrijk voorbeeld dat de wet noemt als een oorzaak die voor rekening komt voor de ontvanger, is de handeling van personen voor wie de ontvanger aansprakelijk is. Dat kan bijvoorbeeld degene zijn die de telefoon opneemt of die aanwezig is op de receptie.

Van belang is op te merken dat het artikel spreekt over personen voor wie de ontvanger aansprakelijk is. Daarmee wordt verwezen naar werknemers, maar wie vallen daar verder precies onder?


Nuancering door de rechtspraak voor schriftelijke verklaringen.

De nuancering door de rechtspraak heeft betrekking op de verzending van schriftelijke verklaringen. Deze nuancering vond plaats op 14 juni 2013 in een arrest van de Hoge Raad.

De Hoge Raad der Nederlanden (HR) stelt 'dat als de ontvangst van een schriftelijke verklaring wordt betwist, de verzender in beginsel feiten of omstandigheden dient te stellen en zo nodig dient te bewijzen waaruit volgt dat de verklaring door hem is verzonden naar een adres waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar door hem kon worden bereikt en dat de verklaring aldaar is aangekomen'.

Wat de betekenis van het 'in beginsel' is wordt in de uitspraak niet nader toegelicht. Verder is opmerkelijk dat deze nuancering door de Hoge Raad eigenlijk neerkomt op aanvaarding van de verzendingstheorie.

Het uitgangspunt van de wet is dus de ontvangsttheorie, maar als de ontvangst van een schriftelijke verklaring wordt betwist corrigeert de Hoge Raad deze naar de verzendingstheorie.


Wat is een adres?

Voor wat een adres is wordt in het arrest door de HR verwezen naar artikel 1:10 BW wat betreft de adressering van natuurlijke personen. Als het een zakelijke aangelegenheid betreft noemt de HR 'het zakelijke adres' van geadresseerde en voorts 'het adres waarvan de afzender op grond van verklaringen of gedragingen van de geadresseerde mocht aannemen dat deze aldaar door hem kon worden bereikt'. De HR noemt in dit verband diens postbus, e-mailadres of een ander adres dat bij recente contacten tussen partijen door de geadresseerde is gebruikt.

De vindplaats van het arrest van de HR waarin het bovenstaande is te vinden is: ECLI:HR:2013:BZ4104.


Betekenis van het woord adres

De Hoge Raad verwijst voor de betekenis van het adres voor wat betreft natuurlijke personen naar artikel 1:10 BW. Daar wordt gesproken over de 'woonstede' van de natuurlijke persoon en bij gebrek daarvan naar de plaats van zijn werkelijke verblijf. Er is daar dus geen verwijzing naar de basisregistratie bij de gemeenten.

Ditzelfde wetsartikel gaat in het tweede lid over het adres van een rechtspersoon: deze heeft zijn woonplaats waar hij volgens wettelijk voorschrift of volgens zijn statuten of reglementen zijn 'zetel' heeft. Hier is geen rechtstreekse verwijzing naar het handelsregister van de kamer van koophandel.

Waar is nu wettelijk geregeld waar een rechtspersoon zijn zetel heeft?


De Handelsregisterwet 2007 en authentieke gegevens

In Nederland zijn 12 basisregistraties, waarvan de Basisregistratie Personen en de Basisregistratie Kadaster naast het Handelsregister wel de meest bekende zijn. De gegevens die opgenomen zijn in deze basisregistraties zijn authentieke gegevens. Authentieke gegevens hebben een dermate hoge kwaliteit dat deze gegevens zonder verder onderzoek kunnen worden gebruikt.

Er is geen wettelijke bepaling die inhoudelijk definieert wat een authentiek gegeven is. In de kamerstukken wordt wel een definitie gegeven. Deze is lang en complex en te vinden in Kamerstukken II 2001/02 26 387, nr. 11.

Artikel 1 sub g van de Handelsregisterwet bepaalt dat een authentiek gegeven een gegeven is waarvan in een basisregistratie wordt aangegeven dat het een authentiek gegeven is. In artikel 15 van de Handelsregisterwet is vervolgens bepaalt dat de in artikelen 9 tot en met 14 van die wet opgenomen gegevens authentiek zijn. In artikel 12 staat dat naast andere gegevens ook de statutaire zetel van de rechtspersoon wordt opgenomen. De gegevens die de statutaire zetel in het handelsregister omvatten zijn dus authentieke gegevens en behoeven geen verder bewijs.


Bewijs van de verzending en ontvangst.

Wat moet je nu precies doen met het oog op bovenstaande om te kunnen bewijzen dat een brief een natuurlijke of rechtspersoon heeft bereikt?

Op 31 oktober heeft het Hof 's-Hertogenbosch in een arrest de door de HR geformuleerde norm gehanteerd en aangegeven onder welke omstandigheden de aangeschrevene moet bewijzen dat een brief hem niet heeft bereikt.

Het Hof zegt daarover: '[de vennootschap] heeft reeds in eerste aanleg aangevoerd dat zij de verjaring heeft gestuit met brieven die zij aan appelante heeft gestuurd op 5 augustus 2010, 7 mei 2015 en 4 juni 2015. [de vennootschap] heeft voorts aangevoerd dat zij al deze brieven heeft geadresseerd aan het adres waarop [appelante] vanaf mei 2010 is ingeschreven blijkens de basisregistratie personen en dat zij geen van die brieven retour heeft ontvangen in verband met een onjuiste adressering. Gelet op het deze stelling en het hiervoor in 3.6 genoemde uitgangspunt, kon [appelante] niet volstaan met de enkele stelling dat zij die brieven 'nimmer in goede orde' heeft ontvangen'.

Omdat de ontvangst van de brieven wordt betwist, geldt het door de Hoge Raad geformuleerde beginsel. De verzender moet volgens dat beginsel feiten en omstandigheden stellen en zo nodig bewijzen waaruit volgt dat de verklaring door hem is verzonden naar een adres waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar door hem kon worden bereikt en dat de verklaring aldaar is aankomen. Het Hof is van mening dat van een juist adres is gebruik gemaakt als van het adres blijkt uit de basisregistratie persoonsgegevens. De gegevens die daaruit blijken zijn, zoals we gezien hebben, omdat ze zijn opgenomen in een basisregistratie, authentiek en behoeven geen verder bewijs. Vervolgens neemt het Hof aan dat als de verklaring naar dat adres is gezonden en niet is terugontvangen er voldaan is aan de eis dat de verklaring daar is aangekomen. Omdat hierdoor aan de voorwaarden die de Hoge Raad stelt is voldaan, kan de geadresseerde niet volstaan met de verklaring dat de brieven niet 'in goede orde' zijn ontvangen. De geadresseerde moet nu bewijzen dat zij de schriftelijke verklaring niet heeft ontvangen.

De vindplaats van het hier aangehaalde arrest van het Hof Den Bosch is: ECLI:NL:GHSHE:2017:4707.


Conclusie

De brieven van de vennootschap uit het arrest van het hof waren gericht op het stuiten van de verjaring van geldvorderingen op appelante. De brieven van het CRZB zijn gericht op het informeren van de debiteur over het bestaan van een betalingsachterstand en op de consequenties van het niet reageren op de brief van het CRZB. Voor de uitspraak van de HR en het Hof maakt het niet uit wat de inhoud van de brief is: een tot een bepaalde persoon gericht verklaring moet om haar werking te hebben die persoon hebben bereikt.

De adresgegevens die die vennootschap uit het arrest van het hof waren afkomstig uit de basisregistratie persoonsgegevens: een van de twaalf Nederlandse basisadministraties. Het CRZB stuurt de informatiebrief waarin een debiteur wordt geïnformeerd over de mogelijke registratie van zijn betalingsachterstand eveneens naar een adres dat blijkt uit een van de twaalf basisadministraties: het Handelsregister. Als de brief niet terug wordt ontvangen mag er dus vanuit worden gegaan dat het bericht is ontvangen en zijn werking heeft.

Van groot belang is dat wanneer de geadresseerde ontkent de brief te hebben ontvangen, afschriften van de brief met het adres zoals dat in het handelsregister staat overlegd kunnen worden. Hiermee wordt de ontvangst bewezen en moet de geadresseerde debiteur bewijzen dat hij de brief niet heeft ontvangen.

Terug naar inhoudsopgave